zondag 30 januari 2011

Weerzien met Rinty en Woody

Onze reis is allereerst het bezoek aan Rinty en Woody. Heerlijk om onze (klein)dochter na 7 maanden weer terug te zien. We komen rond negen uur ’s avonds in Entebbe aan en moeten eerst ons visum regelen en de bagage oppikken. Op mijn vraag aan Rinty vooraf hoe ik dat visum moest regelen was het antwoord heel simpel: je gaat gewoon in de rij met de meeste blanken staan. En inderdaad binnen een kwartier is alles zonder problemen geregeld. Wel tegen betaling van $ 50 per persoon. Degene die reizigers ophalen van het vliegveld staan echt buiten het gebouw. Maar bij de eerste stap buiten, in een warme, donkere nacht, lopen we al tegen Rinty en Woody aan. Heerlijk de eerste kroel en dikke knuffels. Daarna wat onwennig de eerste losse zinnen Engels met Woody, terwijl Rinty en Oma samen naar de auto lopen. Want we moeten zorgen dat we zo snel mogelijk van de parkeerplaats verdwijnen. Veiligheidsmaatregelen. Omdat het donker is en de tocht naar Jinja een paar uur duurt, heeft Rinty (zoals Woody en zij vaker deden toen Rinty nog op en neem pendelde) een kamer voor ons in een motel geboekt. Dus binnen tien minuten staan we voor een groot pand dat er uitziet als een parkeergarage, maar een piepklein hotel blijkt te zijn met enkele grote vleugels in aanbouw.

De staat van de aanbouw is al meer dan vijf jaar ongewijzigd, dus het is de grote vraag of en wanneer het ooit afgebouwd wordt. De kamers liggen wat kruipdoor – sluipdoor met trapjes, binnenplaatsjes en planten die bij ons als kamerplanten bekend zijn. Maar de bedden zijn prima, we hebben een eigen wc en douche (waaronder je ietsje op en neer moet springen om druppels te vangen). Woody begint om half 11 nog aan zijn warme maaltijd, terwijl wij alleen iets drinken. Nog geen kwartier later valt de stroom uit en dan is het echt pikdonker. Gewoon rustig blijven zitten is dan het devies en inderdaad gaat na een tijdje een aggregaat werken. En voordat we gaan slapen weer een dikke knuffel. Heel veel familie en vrienden hebben bij ons vertrek gezegd dat we Rinty een dikke knuffel van hen moeten geven. De hele vakantie door heb ik dit ’s morgens en ’s avonds in de praktijk gebracht. Knuffel van Eric, van Jamiën, van Ingrid, van Caitlyn…enz.

En de volgende dag thuis in Jinja hebben Rinty en ik allebei het gevoel alsof er geen zeven maanden tussen hebben gezeten, zo vertrouwd en vanzelfsprekend is het weer samen.

woensdag 26 januari 2011

Deel twee van de tocht naar Murchison Falls N P

Het is rond half drie in de middag: het land wordt vlakker, droger; een vrachtwagen met een lekke band (die kunnen hier niet op de vluchtstrook, want die is hier niet, dus de auto blokkeert rustig de rijbaan en iedereen maakt er een bocht omheen); als tegenligger een hele grote vrachtwagen met aanhanger van het voedselprogramma van Unicef. Ik realiseer me dat we nog maar zo’n twee honderd kilometer van Gulu vandaag zijn, een stad die tot voorkort in een oorlogsgebied lag. Wij moeten voor we daar echt in de buurt komen afbuigen richting het westen, noordwesten.  Links van de weg wordt het landschap een savanne, Rinty ziet de eerste apen (ons oog is nog niet geoefend, dus Ma en ik zien nog niks), we passeren een neushoornopvangcentrum, de termietenheuvels hier zijn anders dan in het zuiden, hier met torentjes, in plaats van ronde hopen.
We zien de nesten van wevervogels, lemen hutten en heel veel zakken houtskool langs de weg. Later komen we een vrachtwagen tegen die ze allemaal oppikt, waarschijnlijk voor verkoop in een stad. Zelfs in de steden wordt op houtskool gekookt, alhoewel dat volgens Rinty wel weer duurder is dan op kerosine. Er zijn ook kuddes met prachtige Afrikaanse kooien met van die heel grote horens. Een half uur verder komen er weeg bergen in het zicht en we zien op een top een hele groep met zendmasten of iets dergelijks; dadelpalmen en de zelfde huizenbouw als in de omgeving van Kampala en Jinja. Wat het beeld van de dorpen langs de weg maakt het niet uit in welke streek je bent, het ziet er overal hetzelfde uit, inclusief de kleuren van de telecom-bedrijven. Eindelijk zijn we in Masindi. Er moet getankt en we hebben een sanitaire stop…….. jaggg …… daar zal ik geen woorden over vuilmaken. Niet zo veel verder moeten we stoppen in verband met een oververhitte motor. Binnen de kortste keren staat er een groep opgeschoten jongens bij de auto. Woody koopt voor 1.000 ush  3 liter water, dat hij na het ‘stoom afblazen’ bij de motor gooit. Wij zijn blij even in de schaduw, met lekker wat wind even te kunnen staan. Als Woody de knul voor het water betaalt, komt er veel kabaal van de andere jongens die dat niet eerlijk vinden. Al met al was het oponthoud niet zo lang, dus weer verder. We zien weer maïsvelden, we hebben neuzen vol van het stof; we komen uit in Kigumba: weer foute boel. Ergens hebben we een zijweg gemist, geen kunst natuurlijk zonder bewegwijzering. Je rijdt hier dus een weg in en pas bij een dorpje, dat geen plaatsnaambord heeft, maar waar altijd wel een bord van een school of een kerkstaat met de plaatsnaam daarbij, weet je of je goed of fout zit. Het is echt slikken, want we moeten weer drie kwartier terug.
Vanaf 5 uur ’s middags zie je het in de dorpjes drukker worden, de mensen komen meer op straat: veel voetgangers, inclusief twee overstekende varkentjes, voetballende kinderen bij een school; er wordt een suikerrietveld afgebrand. Daarmee zijn de dunne bladeren eraf gebrand en kunnen de mensen de stengels met de suiker eenvoudig kappen. Op de smalle weg staat in eens een mega -grote wegenbouwmachine. We moeten zover aan de kant dat de auto scheef hangt en dan ook nog gaat glibberen in de prut. Grappig om te zien dat ons Ma ‘tegen gaat hangen’. In dit deel zien we kale bomen met prachtige rose-rode bloemen; een groep van z’n 15 vrouwen zitten op een bank onder een boom; we passeren een vrachtwagen vol zand en daar bovenop nog 5 mannen. Rond kwart voor 6 zitten we weer op de goede weg. We zien nog een jongetje met een bal die in elkaar is gedraaid van plastic zakken; door de suikerrietvelden kunnen we een stuk niet ver kijken en dan ineens staan we voor de poort van het National Park. Rinty gaat naar de balie, begroet de wacht in de locale taal en krijgt korting omdat ze ‘resident’ van Oeganda is. Dat is mooi meegenomen, want inwoners betalen minder dan buitenlanders (terwijl Rinty nog niet eens een definitieve verblijfsvergunning heeft, maar daar werd ook niet om gevraagd).  Zo’n tien minuten later rijden we weer, maar het blijkt nog 40 kilometer tot de Lodge. Gelukkig wanen we ons al direct in een echt oerwoud, want we zien de meest mooie vogels; prachtige vlinders; de eerste grondhoornvogel; en bavianen. Hele groepen bavianen.
Het maakt het uren hobbelen meteen al goed. Rond zeven uur ’s avonds, het is dan al donker, komen we bij Sambiya River lodge aan.  Ook daar is een heel verhaal over te vertellen; goed voor een volgende keer.

zondag 23 januari 2011

Reisdag van Jinja naar Murchison Falls National Park - deel 1

Een reisdag in Oeganda wordt niet bereikend naar het aantal kilometers dat moet worden afgelegd - dat is in het geval van Jinja naar Sambiya River Lodge in het Murchison Falls NP zo'n 450 kilometer - maar in uren reistijd. De heenreis duurt bijna 9 uur. Woody heeft een four-wheeldrive busje voor 8 personen geregeld. Wij zitten met vieren dus royaal, met heerlijk veel beenruimte, veel ruimte voor de bagage en een open dak waar we later deze reis veel plezier van hebben. Negen uren in de auto met Woody als chauffeur, vrijwel non stop rijden en naar buiten kijkend heb ik bladzijden vol met aantekeningen gemaakt. Zelfs als niet- uitgeschreven verhaal geeft het een goede indruk van al het moois (en lelijks) dat we onderweg zien.
We vertrekken om 10 uur: er moet eerst getankt worden en de auto gecheckt. Met ons ma en mij erin wordt de auto op de brug van een garage gereden en geïnspecteerd, waarbij het filter wordt vervangen, het waterpeil gecontroleerd en de banden opgepompt. Een auto huren gaat hier anders dan wij gewend zijn, maar daarover later meer. We rijden via de dam over de Nijl richting Kampala. We zien suikerrietvelden en theeplantages. Het is bewolkt en de omgeving is prachtig groen. We rijden door een stukje oerwoud waar je niet veel meer van ziet dan een ondoordringbare groene muur, maar het ruikt er lekker: naar helder water (geen muffe boslucht). Het is zondagochtend en lekker rustig op de weg. Overal langs de kant staan bananenbomen. De planten met een zwarte stam zijn de matoke - bakbananen. De planten met een groene stam zijn de bij ons bekende bananen. Er zijn intotaal vijf verschillende soorten bananen die allemaal op een verschillende manier worden bereid en ook anders smaken, maar het fijne weet ik daar niet van. Langs de snelweg staan hier en daar stroken met stalletjes waar groenen en fruit wordt verkocht. Tussen een suikerrietveld en de weg liggen smalle stroken met akkertjes, waar groenen en aardappelen op verbouwd worden (aardappelen geldt hier ook als groente). Het stadje Lugazi ziet er groen en goed onderhouden uit. We zien een kathedraal tussen de velden - mensen lopen, fietsen en rijden brommer op de snelweg (de enige weg van a naar b) waar de maximum snelheid 100 km per uur is. Een snelheid die overigens zelden gehaald wordt. Voor ieder dorp liggen er verkeersdrempels in de weg, waar je echt stapvoets overheen moet om niet tegen het dak van de auto te stuiteren. Binnen de dorpjes mag 50 km gereden worden, maar dat haal je praktisch nooit. We zien prachtige heuvels; een maisveld; een vrouw met een bundel hout op har schouder; grote zakken met houtskool langs de kant van de weg; houten laddertjes over een afwateringsgoot; aardappelplanten staan hier op kleine heuveltjes; papyrusplanten; een arend; een auto vol ananassen; moskeën; open vrachtwagens met suikerriet; langs de weg is veel lintbebouwing, met winkeltjes in de felle kleuren van de Oegandese telefoonmaatschappijen (die zien er het best onderhouden uit); een steengroeve op de heuvel; een meisje van een jaar of zeven draagt een peuter van twee op haar rug; pharmaciefabriek waar de anti-aidsmiddelen worden gemaakt - voor de locale markt; een kartonfabriek; een bodaboda (brommertaxi) met moeder en baby achterop; billboard met reclame voor voorbehoedsmiddelen tijdens de borstvoedingperiode; vieze diesel uitlaatgassen; mege grote stoelen en bankstellen; een plantenkwekerij; ijzeren deuren en poorten; witte ibussen; 'blessed shoe shop' (heel veel winkeltjes verwijzen in hun naam naar God of Allah); kleiputten met steenovens.




Een steenvorm wordt met klei gevuld, het water eruit geperst, de stenen worden in een toren gestapeld met onderin twee openingen, de toren wordt afgedekt met riet of bananaenbladeren en er wordt met hout een vuur gestookt. Ik weet niet hoelang het duurt voordat de stenen gebakken zijn, maar als de stenen klaar zijn en weer afgekoeld, wordt de toren afgebroken en zijn de stenen klaar voor gebruik. Deze kleiput produceerde grijze stenen, alle andere steenbakkerijen leverden de 'roestbruine' aarden kleur bakstenen op.

Bomen vol met verkiezingsposters; ijzeren kisten te koop die gebruikt worden als kastruimte; een man doet zijn was voor zijn eigen winkeltje; een albino - in Oeganda worden albinomensen gewoon geaccepteerd, maar in Noord-Tanzania worden albinokinderen gedood omdat aan hen speciale krachten worden toegekend, maar dan alleen als ze dood zijn (net zoiets als tijgertanden zo worden gezien); een groot voetbalstadion en de nieuwe rondweg ten noorden van Kampala. Die zou ons heel snel naar de weg richting het noorden moeten brengen, waarbij we het megadrukke centrum van Kampala kunnen vermijden. Woody twijfelt, want hij kent alleen de oude weg, maar wij hebben zaterdag gehoord dat de 'bypass' heel goed is en veel sneller. We zien een sloppenwijk naast nieuwe appartementen; Afrikaanse koeien tussen de huisjes en de marktkrampjes die hier aaneengesloten langs de weg staan.

Kampala: een miljoenenstad die gebouwd is op zeven heuvels in verder een moerasgebied. Omdat de stad te veel inwoners krijgt wordt er nu ook in die moerasgebieden gebouwd. Dat is erg ongezond voor de bewoners vanwege het water en de daarbij behorende muskieten, maar ook voor het milieu omdat de natuurlijke waterbuffers verdwijen. Tussen de wijkjes nog wel vlakten voor papyrus, het riet wordt hier gebruikt voor dakbedekking, niet voor de papierindustrie; een vismarkt vol maraboes; een papa die naast zijn stalletje zijn kindje voorleest (zeer ongebruikelijk hier); maar geen bewegwijzering.... We rijden van de rondweg af een richting in: fout. Stukje verder, weer een afslag, brede weg, maar o zo ongelijk met bovendien veel verkeerdrempels, enorm veel gehobbel, maar weer fout. Weer een kwartier hobbelen terug. Bij een autowasplaats gevraagd waar de weg naar Bombo loopt: we worden teruggestuurd, maar rijden nog enkele keren verkeerd. En ondertussen krioelt het van de mensen, brommers, fietsers en vrachtwagens en kraampjes met koopwaren. Je kunt hier letterlijk over de hoofden lopen als je wilt. Weer de weg gevraagd en we worden een weg ingestuurd tussen autosloperijen en winkeltjes met autoonderdelen door (zeer desolaat gebiedje), we blijken goed te zitten, nog een keer rechtsaf en Woody herkent de weg weer. Ondertussen zijn we drie uur en 80 kilometer onderweg.  En weer hobbelen we langst markten... markten..... markten; spandoeken vol gaten (i.v.m. de wind); auto- en brommerwasplaatsen.
En dan in eens wordt het weer een asfaltweg in een groene omgeving. We kunnen kilometers gaan maken.
Een rechte weg naar het noorden, wel stijgen en dalen over de heuvels, maar het gaat lekker: groen land, een gekantelde vrachtwagen; termietenheuvels; onweer in de lucht; banken dwars achterop een fiets vervoerd; boterhammen met advocado en komkommer rijdend in de auto gegeten, Woody wil door. Hier geen twee uur rijden een kwartier rust - Woody is gewend om zes tot acht uur aaneengesloten te rijden. We zijn inmiddels vier uur onderweg. Naar later blijkt nog niet op de helft..........

Welkom

Op 7 januari 2011 ben ik samen met mijn moeder naar Oeganda vertrokken voor een bezoek aan mijn dochter Rinty en haar man Woody. De eerste week hebben we het dagelijks leven van Rinty en deels Woody meegeleefd en de tweede week een paar dagen vakantie gehouden in een nationaal park in Noord-West Oeganda. Rinty en Woody wonen permanent in Oeganda dus zal het voor mij niet bij deze ene reis blijven. Omdat naast de familie ook vrienden en collega's naar mijn ervaringen vragen, start ik deze blog.

                            
Dit wordt geen reisverslag van dag één tot en met vijftien. Wel een serie berichten die hopelijk een beeld geven van hoe ik het leven in Oeganda ervaar.