woensdag 26 januari 2011

Deel twee van de tocht naar Murchison Falls N P

Het is rond half drie in de middag: het land wordt vlakker, droger; een vrachtwagen met een lekke band (die kunnen hier niet op de vluchtstrook, want die is hier niet, dus de auto blokkeert rustig de rijbaan en iedereen maakt er een bocht omheen); als tegenligger een hele grote vrachtwagen met aanhanger van het voedselprogramma van Unicef. Ik realiseer me dat we nog maar zo’n twee honderd kilometer van Gulu vandaag zijn, een stad die tot voorkort in een oorlogsgebied lag. Wij moeten voor we daar echt in de buurt komen afbuigen richting het westen, noordwesten.  Links van de weg wordt het landschap een savanne, Rinty ziet de eerste apen (ons oog is nog niet geoefend, dus Ma en ik zien nog niks), we passeren een neushoornopvangcentrum, de termietenheuvels hier zijn anders dan in het zuiden, hier met torentjes, in plaats van ronde hopen.
We zien de nesten van wevervogels, lemen hutten en heel veel zakken houtskool langs de weg. Later komen we een vrachtwagen tegen die ze allemaal oppikt, waarschijnlijk voor verkoop in een stad. Zelfs in de steden wordt op houtskool gekookt, alhoewel dat volgens Rinty wel weer duurder is dan op kerosine. Er zijn ook kuddes met prachtige Afrikaanse kooien met van die heel grote horens. Een half uur verder komen er weeg bergen in het zicht en we zien op een top een hele groep met zendmasten of iets dergelijks; dadelpalmen en de zelfde huizenbouw als in de omgeving van Kampala en Jinja. Wat het beeld van de dorpen langs de weg maakt het niet uit in welke streek je bent, het ziet er overal hetzelfde uit, inclusief de kleuren van de telecom-bedrijven. Eindelijk zijn we in Masindi. Er moet getankt en we hebben een sanitaire stop…….. jaggg …… daar zal ik geen woorden over vuilmaken. Niet zo veel verder moeten we stoppen in verband met een oververhitte motor. Binnen de kortste keren staat er een groep opgeschoten jongens bij de auto. Woody koopt voor 1.000 ush  3 liter water, dat hij na het ‘stoom afblazen’ bij de motor gooit. Wij zijn blij even in de schaduw, met lekker wat wind even te kunnen staan. Als Woody de knul voor het water betaalt, komt er veel kabaal van de andere jongens die dat niet eerlijk vinden. Al met al was het oponthoud niet zo lang, dus weer verder. We zien weer maïsvelden, we hebben neuzen vol van het stof; we komen uit in Kigumba: weer foute boel. Ergens hebben we een zijweg gemist, geen kunst natuurlijk zonder bewegwijzering. Je rijdt hier dus een weg in en pas bij een dorpje, dat geen plaatsnaambord heeft, maar waar altijd wel een bord van een school of een kerkstaat met de plaatsnaam daarbij, weet je of je goed of fout zit. Het is echt slikken, want we moeten weer drie kwartier terug.
Vanaf 5 uur ’s middags zie je het in de dorpjes drukker worden, de mensen komen meer op straat: veel voetgangers, inclusief twee overstekende varkentjes, voetballende kinderen bij een school; er wordt een suikerrietveld afgebrand. Daarmee zijn de dunne bladeren eraf gebrand en kunnen de mensen de stengels met de suiker eenvoudig kappen. Op de smalle weg staat in eens een mega -grote wegenbouwmachine. We moeten zover aan de kant dat de auto scheef hangt en dan ook nog gaat glibberen in de prut. Grappig om te zien dat ons Ma ‘tegen gaat hangen’. In dit deel zien we kale bomen met prachtige rose-rode bloemen; een groep van z’n 15 vrouwen zitten op een bank onder een boom; we passeren een vrachtwagen vol zand en daar bovenop nog 5 mannen. Rond kwart voor 6 zitten we weer op de goede weg. We zien nog een jongetje met een bal die in elkaar is gedraaid van plastic zakken; door de suikerrietvelden kunnen we een stuk niet ver kijken en dan ineens staan we voor de poort van het National Park. Rinty gaat naar de balie, begroet de wacht in de locale taal en krijgt korting omdat ze ‘resident’ van Oeganda is. Dat is mooi meegenomen, want inwoners betalen minder dan buitenlanders (terwijl Rinty nog niet eens een definitieve verblijfsvergunning heeft, maar daar werd ook niet om gevraagd).  Zo’n tien minuten later rijden we weer, maar het blijkt nog 40 kilometer tot de Lodge. Gelukkig wanen we ons al direct in een echt oerwoud, want we zien de meest mooie vogels; prachtige vlinders; de eerste grondhoornvogel; en bavianen. Hele groepen bavianen.
Het maakt het uren hobbelen meteen al goed. Rond zeven uur ’s avonds, het is dan al donker, komen we bij Sambiya River lodge aan.  Ook daar is een heel verhaal over te vertellen; goed voor een volgende keer.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten